Codex Studiosorum Bruxellensis

Het Loze Vissertje

Pagina 187 • Nederlandstalige liederen

Gent,18e eeuw

Des winters als het regent,

Dan zijn de paadjes diep, ja diep,

Dan komt het loze vissertje

Vissen al in het riet, ja riet.

Met zijnen rijfstok, met zijnen strijkstok.

Met zijnen lapzak, met zijnen knapzak,

Met zijne lere van dire domme dere,

Met zijne lere laarsjes aan.

(BIS)

Dat loze molenarinnetje

Ging in heur deurtje staan, ja staan,

Opdat het aardig vissertje

Voorbij haar heen zou gaan, ja gaan.

"Wat heb ik U misdreven,

Wat heb ik U misdaan, ja daan,

Opdat ik niet met vrede

Voorbij uw deur mag gaan, ja gaan."

Refrein waarbij ‘zijnen’ door ‘mijnen’ vervangen wordt.

"Gij hebt mij niets misdreven,

Gij hebt mij niets misdaan, ja daan,

Maar moet mij driemaal zoenen,

Eer gij van hier moogt gaan. Ja gaan."

Refrein waarbij ‘zijnen’ door ‘uwen’ vervangen wordt.