Codex Studiosorum Bruxellensis

Jan Klaassen De Trompetter

Pagina 159 • Nederlandstalige liederen

T: Lennaert Nijgh
M: Boudewijn de Groot

Jan Klaassen was trompetter in het leger van de Prins

Hij marcheerde van Den Helder tot Den Briel

Hij had geen geld en hij was geen held

En hij hield niet van het krijgsgeweld

Maar trompetter was hij wel in hart en ziel

Het laatste refrein wordt vanaf de derde regel herhaald.

Het leger sloeg z'n tenten op voor Alkmaar in 't veld

En zolang geen vijand zich liet zien was iedereen een held

De kroeg werd als strategisch punt door 't hoofdkwartier bezet

De officieren brulden: "Jan, kom speel op je trompet!"

Ze werden wakker in de goot in de morgen kil en koud

Maar Jan Klaassen sliep in de armen van de dochter van de schout

De Prins sprak op inspectie tot de majoor van de compagnie

"Ik zag hier alle stukken wel van mijn artillerie.

Ja, zelfs dat kleine in uw kraag en dat blonde in uw bed.

Maar waar zit dat stuk ongeluk van 'n Jan met z'n trompet?"

En niemand die Jan Klaassen zag die bij de stadspoort zat

En honderd liedjes speelde voor de kinderen van de stad

Jan Klaassen zei: "Vaarwel mijn lief, ik zie je volgend jaar.

Wanneer de lente terugkomt dan zijn wij weer bij elkaar."

De winter ging, de zomer kwam, de oorlog was voorbij

Maar het leger is nooit teruggekeerd van de Mokerhei

Geen mens die van Jan Klaassen ooit iets teruggevonden heeft

Maar alle kinderen kennen hem; hij is niet dood, hij leeft!