Codex Studiosorum Bruxellensis

De Gilde Viert

Pagina 148 • Nederlandstalige liederen

T: René de Clercq
M: Emiel Hullebroeck, 1910

De gilde viert, de gilde juicht,

Wat zit gij daar en blokt en buigt

Nog over uwe boeken?

De wijsheid ligt maar in de kan,

Wie z'elders zoeken wilt die kan,

Doch laat hem, laat hem zoeken.

Het beste biertje lust hij niet,

Het liefste liedje sust hem niet,

Het mooiste meisje kust hem niet.

Hoog het glas! Hoog het hart!

Hoog het lied!

De beker ruist, de beker schuimt!

Sa makkers, fris en opgeruimd

Het glas aan uwe lippen!

Die op zijn kamer koekeloert,

En geestversnipprend dwaashen snoert,

Drinkt water als de kippen!

Het pijpke dampt in monkelmond,

En spreidt wellustig in het rond

Studentikoze geuren!

Die steeds aan perkamenten kluift,

En perkamenten reuken snuift,

Krijgt perkamenten kleuren!

De gilde juicht, de gilde viert!

Hoera! De pet omhoog gezwierd,

En nog eens hard geklonken!

De blokker ligt reeds log en loom,

Gekweld door nare blokkersdroom,

Met droge keel te ronken.