Codex Studiosorum Bruxellensis

Geuzen Lied

Pagina 146 • Nederlandstalige liederen

T: Jan De Geyter, 15–17 september 1873
M: Alexander Fernau
Oorspronkelijke titel: “De Vlaamsche Leeuw en de Geuzen”

In dit lied beschrijft de auteur o.a. het misbruiken van de Vlaamse beweging door de katholieken.

Zij brullen: "Leeuw van Vlaanderen!"

En huilen tegen ons

Zij die de Leeuw doen kruipen

Doen kruipen voor Bourbons

O Breydel en De Coninck,

Gent Brugge van weleer

Heeft Vlaanderen dan geen kerels

Hebt gij geen Klauwaerts meer?

Op Geuzen, wreekt uw vaadren

Zwaait gij de Leeuwenvaan!

Wee wee de landverraadren,

Wanneer hun uur zal slaan!

(BIS)

Blikt om U heen, O Broedren!

Trekt gans den wereld rond

Weer rijzen als paleizen

De kloosters uit den grond

Het glanzend licht der rede

Het licht moet uitgedoofd

Voor bedevaart, mirakels

En spoken in het hoofd

Ach! Over Leie en Schelde

Hangt zulk een sombere nacht ...

O land van Artevelde,

De Geuzen houden wacht!

(BIS)

Jezuïeten zaaien tweedracht

Zij blazen haat en twist

Wij juichen "Recht en rede"

Zij grijnzen "Laag en list"

Hoort! Rome smeedt ons ketens

Voor 't lijf en voor de ziel

Het zwart gespuis zal 't mensdom

Verplettren met den hiel

Dan Geuzen, dan te wapen

De Vrijheidsvlag ter hand

Van 't ongediert der papen,

Verlost ons vaderland!

(BIS)

Wanneer rijst eens het daglicht

In d' aardse rampwoestijn

Dat elk zijn eigen koning

Zijn eigen paus zal zijn?

Geen slaven meer aan ketens

Geen ziel aan boei of band

En 't mensdom, gans het mensdom

Een enkel Broederland

Dat willen wij, o Geuzen

Al kost het goed en bloed

Wij gaan vooruit als reuzen,

Vooruit met leeuwenmoed!

(BIS)